Blog: van doorzichtponskaart tot beeldherkenning

Blog: Van doorzichtponskaart tot beeldherkenning | door: Arno Stam

1 augustus 1985. Bij de voorganger van Erfgoed Gelderland, het Gelders Oudheidkundig Contact (GOC), start ik. Op het bureau aan de Halterstraat 20 in Zutphen. De setting: een statig pand met voornamelijk mannen, veel stropdassen en aardig wat dubbele namen. De collega’s spreken elkaar aan bij de achternaam, roken is heel gewoon en ’s middags om drie uur wordt geroepen: ‘Er is thee!’  Ik heb een rechte houten keukenstoel – uitstekend voor m’n rug – er is een oude typemachine waar het postpapier in drievoud in gaat tussen twee velletjes carbonpapier. Het origineel wordt verzonden, één kopie is voor de gezamenlijke brievenordner, de tweede mag ik voor mezelf opbergen. Er is een telefoon, op de etage boven mij. Het organiseren van de jaarlijkse Contactdag, het beheer van de mediatheek met onder meer de boeken- en  diacollectie zijn de eerste klussen. Daarnaast de Sprekerslijst,  Gelders Oudheidkundig  Adressenboek, Gelders Oudheidkundig Persoverzicht,  werkgroep fotografische documentatie,  Gelders Geluidsarchief, werk voor cursussen zoals die voor amateurhistorici, museumbeheer en voordrachtenreeks en nog wat meer staan op m’n lijstje.

Het GOC-adresbestand bestaat uit een rij metalen plaatjes waarin de adressen zijn gestanst. Voor een adreswijziging moet ik op pad naar Warnsveld waar de man zit die nieuwe plaatjes kan aanmaken. Met een indrukwekkend uitziend apparaat kun je de adresplaatjes ‘afslaan’ zodat het adres in inkt op de envelop wordt gedrukt. Er is ook een kopieerapparaat. Het produceert kopietjes op glad papier, soms niet zo goed leesbaar maar wel met een adembenemende geur.

Voor het dagelijks beheer van de mediatheek wordt John Bosboom in 1986 aangesteld. Dat maakt het mogelijk meer extern bezig te zijn, conform de oorspronkelijke opdracht. De weg naar de nieuwe ‘documentalist’, al snel ‘consulent documentatie’ genoemd, weten de meeste organisaties al snel te vinden. Een regelmatig terugkerend verzoek is: ‘Kan Stam een tijdje bij ons komen om onze collectie te registreren?’ Dat doet denken aan de Duitse manier van werken: een collectie gründlich laten inventariseren en daarna – meestal héél lang daarna – naar een volgend adres. Ik geef de vragende partij als antwoord dat het GOC er dan een hele bos Stammetjes op na moet gaan houden om iedereen tevreden te stellen. De oplossing zit in de richting van vertellen wat de mogelijkheden zijn, welk gereedschap er is, praktische voorbeelden geven en de mensen op weg helpen. In de brief waarin de Provincie Gelderland akkoord gaat met de aanstelling van een documentalist bij het GOC staat dat de documentatie van de collectie van Huis Bergh hoge prioriteit heeft. Met de heer Van Heek breng ik de complete collectie in kaart en met behulp van conservator en vrijwilligers wordt alles keurig beschreven. Een cursus maakt deel uit van het advieswerk.

Ik maak kennis met behoorlijk wat instellingen, zie hoe op de ene plek prachtige rijen met dossierkasten vol kaarten met gegevens over de collectie staan, op de andere plek zit het alleen ‘in het hoofd’ van de beheerder, wachtend op de ultieme beschrijvingskaart. Ontsporingen zie ik ook, wél een mooi inventarisboek maar de topstukken zijn uit de collectie verdwenen of een medewerker die ijverig aan het registreren is geslagen, niet wetend dat elders al een prima bestand met kaarten ligt. Het is duidelijk dat men het belang inziet van het goed vastleggen van data en er voor het registreren van de collectie weinig tijd beschikbaar is. Soms wel op papier maar in de praktijk wordt veel tijd opgeëist door andere taken zoals het voorbereiden van exposities. Het werk achter de schermen is niet sexy.

Bij mijn rondgang kom ik tot de conclusie dat men niet zozeer druk is met het registreren van gegevens, maar zich het hoofd breekt over hoe de nieuwe registratiekaart voor het museum er uit moet zien. In korte tijd verzamel ik een stapel kaarten met elk een andere indeling, vakjes bestemd voor informatie die collega-instellingen niet hebben benoemd of uiteenlopende benamingen voor één en hetzelfde.

Mooi dat er sinds kort een standaardkaart is, over komen waaien uit Groot-Brittannië en in het Nederlands vertaald. Die historisch voorwerpkaart (HVK) is vrij uitgebreid en al voorbereid op het invoeren van vastgelegde gegevens in een computer. Dat betekent een ander denkmodel: niet langer een fotografische beschrijving maken van het object dat je voor je hebt. Als iemand de beschrijving voorleest, kun je met je ogen dicht een voorstelling maken van het object. Dat is handig in een tijd dat er nog lang niet altijd een foto bij een object beschikbaar is. En als ze er al zijn dan doorgaans in zwart/wit. Met deze beschrijvingskaart breng je de inhoud terug tot de kern van de zaak, in de vorm van trefwoorden. En als je die slim en consequent toekent, kun je straks via de rekenkracht van een computer informatie snel terugvinden en een hele stapel gegevens op verschillende aspecten snel doorzoeken, iets dat tot dat moment bijna ondoenlijk is.

Vernieuwingsijver is mooi, maar er zijn natuurlijk ook nadelen. De historisch voorwerpkaart met z’n 90 vakjes, velden genoemd, en met een veld genaamd ‘tekening of foto’ waar een plek is voor een minuscule afbeelding in de vorm van een contactafdruk, voldoet goed bij de meeste collecties, maar de behoefte om ook in lopende zinnen iets te kunnen beschrijven blijft knagen. Sommige mensen vinden de kaart te ingewikkeld, te uitgebreid. De vervolgstap is de Basisregistratiekaart, met 20 velden, met heel iets meer ruimte voor een fotootje en met tekstvelden zoals Beschrijving en Titel. De valkuil waar sommigen in trappen – gelukkig niet in deze provincie –  is om de HVK in de ban te doen en helemaal over te stappen op de Basisregistratiekaart, met als resultaat een hele hoop extra werk en alle extra informatie die keurig gestandaardiseerd op de uitgebreide kaart stond in een veld ‘opmerkingen’ te stoppen of weg te gooien als het kind met het badwater.

Mijn drijfveer is om zoveel mogelijk gegevens zichtbaar te maken. Er is vaak maar een fractie van de collectie zichtbaar in de opstelling voor het publiek. En het is maar de vraag of dat tentoongestelde precies datgene is waarin de bezoeker geïnteresseerd is.

Om de neuzen dezelfde richting uit te krijgen ga ik in alle regio’s cursussen geven. Boy Wander van het Nederlands Openluchtmuseum had al een voorproefje gegeven en ik pas het voortdurend aan, gebruikmakend van de ontwikkelingen. Mardoc, de Nomenclature van Chenhall, de serie standaard beschrijvingskaarten voor allerlei collecties, succesvolle voorbeelden uit de Nederlandse praktijk. De demonstratie met het doorzichtponskaarten systeem uit de jaren ’70 om snel trefwoorden aan elkaar te koppelen zorgt vanaf het begin voor hilariteit. De valkuil waar bijna iedereen intrapt, is de drang om de beschikbare kaarten, hoe uitgebreid ze ook zijn, helemaal in te gaan vullen. Geen vakje wil men leeg laten. Ik laat steevast het voorbeeld zien van een Minoïsche vaas, die naast de voorstelling van een stijlvolle octopus geheel beschilderd is met vulornamenten: dat is nou horror vacui, de angst voor het lege. Daardoor moet de registrator zich niet van de wijs laten brengen. Misschien heeft die verleiding iets te maken met een ervaring uit de jeugd. Een kleurplaat werd alleen maar bewonderd als er netjes binnen de lijntjes is gekleurd én alle vakjes zijn gevuld.

Later komen de computer, de beamer, de  Dublin Core metadata element set, het MOVE invulboek, de Spectrum-procedures. Er volgen veel cursussen waarin gewerkt wordt met de software, Q&A, later Adlib. Het wordt nu echt werk achter de schermen. De komst van de computer maakt nog eens extra duidelijk hoe lastig het is om erfgoedobjecten te beschrijven. Er staat immers niks op die beker, mok of hoe noem je dat ding eigenlijk? Dat je in dit werkveld prudent moet omgaan met historische termen als Sutven of Zutfen met s of f in plaats van het huidige Zutphen met z en ph is snel duidelijk, maar dat het menselijk brein zo creatief is om de naam van één en dezelfde bruikleengever op minstens 30 verschillende manieren te noteren in het daarvoor bestemde veld – denk aan spelfouten, omkeringen, voornamen voluit of niet, komma’s, spaties et cetera – is wel een openbaring. Het project KCQ, kwaliteitscontrole collectieregistratie bij musea waarbij data in het dan gebruikte programma Q&A met standaardapplicaties QAbasisregistratie en QAhistorisch voorwerpkaart worden ontleed, laat feilloos zien dat er na die kaartenbak waarin alles netjes was opgeschreven nog heel wat werk te doen is als het gaat om standaardisering en verbetering van de kwaliteit van data.

Het GOC groeit in de jaren na mijn start. Er komt een consulent museumtechniek, een consulent educatie, een consulent geschiedbeoefening.  Een tijd van projecten, plannen, vooral veel plannen. De geprinte versie van concept-beleidsplan nummer zoveel verdwijnt ’s avonds vel na vel in de open haard. Het geloei van de brand in het rookkanaal weten we te stoppen terwijl de vrijwillige brandweer van Warnsveld de slangen uitrolt. De stoere mannen die ik herken dankzij mijn heel andere vrijwilligerswerk slopen vakkundig een plafond. Voorzichtig omgaan met beleidsplannen is vanaf dat moment het parool. De komst van de computer bij het GOC zelf is ook nog een gewichtige zaak. Twee ambtenaren van het ministerie reizen af naar het verre Zutphen om te onderzoeken hoe ik de via een kortingsregeling aangevraagde PC’s ga inzetten voor het museumveld. De dozen komen in december 1989, met onder andere een computer van 20 MB en voorzien van diskettestations voor 3.5 en 5.25 inch. Intern betekent dat een heel gedoe, iedereen wil  achter zo’n ding kruipen. Dus schema’s voor wie wanneer mag en jarenlang een automatiseringsoverleg totdat alle relevante gegevens netjes zijn geregistreerd, van adresbestanden tot eigen bezit zoals bibliotheek en diacollectie.

In de kaartenbak blijft inconsequent en onvolledig registreren netjes verborgen. Dankzij automatiseren en de gegevens van instellingen met elkaar te vergelijken komen die manco’s naar voren en kun je er iets aan gaan doen. De computer en internet brachten iets moois. Iets waar ik wat mee kon. Het werk achter de schermen wordt dankzij internet voor de buitenwereld zichtbaar. De vrijwilliger kan vriend en vijand laten zien wat zij/hij heeft gedaan door de ingewerkte data op internet te tonen. Dat is mijn geheime agenda om instellingen te stimuleren collecties te registreren.  En de musea willen graag in elkaars collectie kijken om te zien of er iets van hun gading te vinden is, bijvoorbeeld voor een nieuwe tentoonstelling. Bij de eerste computerprogramma’s ging het alleen om metadata, later konden er ook afbeeldingen aan worden toegevoegd. Een aandachtspunt is in die tijd: hoe zorg ik er voor dat een organisatie geld op de begroting krijgt. Waar voorheen wat kaarten en een dossierkast werden aangeschaft, gaat het nu om relatief forse investeringen. Een beetje museum is al snel 20.000 tot 30.000 Hollandse guldens kwijt om de automatisering van de organisatie te realiseren. Er zijn diverse spelers op de markt die grote musea als klant hebben.  Daar kijk ik rond en op vele studiedagen, beurzen en dergelijke. Mij gaat het er om ook voor kleinere instellingen een haalbaar en interessant aanbod te realiseren. De beslissers, de directeuren en bestuurders, zijn doorgaans van een andere generatie en lang niet altijd te porren voor die nieuwe ontwikkelingen. Of ze willen wachten totdat het allemaal een stuk goedkoper wordt. In deze periode zijn de regelmatig gehouden bijeenkomsten van de Groep Automatisering Museale Collecties, opgezet door de Nederlandse Museumvereniging van belang. De coördinatie van de regio Oost, van Hilversum tot Hardenberg en van Kampen tot Nijmegen is in handen van Gelders Erfgoed en de Hannema de Stuers Fundatie. Door de input vanuit diverse organisaties maar vooral dankzij de bezielende ijver van Jan van de Voort en zijn afdeling automatiseringsadviezen van het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie (het RKD) blijven de instellingen in deze regio goed op de hoogte van de laatste ontwikkelingen rond automatisering, collectieregistratie en kosten van hard- en software.

In december 1998 heb ik samen met de vertegenwoordigers van de musea in Tiel, Zaltbommel en Harderwijk een gesprek met het hoofd afdeling networking van Computron Nijmegen bv te Malden. In januari 1999 spreek ik weer met Computron dat wel iets wil met gegevens van musea. Ze maken een offerte met forse bedragen. In juni van dat jaar spreek ik de mensen van musea die nu bijna allemaal anders heten, het toenmalige Maarten van Rossum Museum in Zaltbommel, Streekmuseum De Groote Sociëteit in Tiel, Museum Elisabeth Weeshuis in Culemborg, het Veluws Museum/Stadsmuseum Harderwijk en het Liemers Museum in Zevenaar over een brief die ik had geschreven waarin een einddoel is geformuleerd: laat musea onderling de collectieregistratie kunnen raadplegen. Bewust wordt gekozen voor een start met een beperkt aantal deelnemers om ervaring op te doen en met instellingen die geografisch verspreid liggen over Gelderland. In november 1999 volgde de eerste begroting voor het ICT-project.  De eerste werkgroepsvergadering is op 15 juni 2000 in Stadsmuseum Harderwijk, de feitelijke oprichtingsvergadering, met verslag. In dat jaar komt er dankzij Wim Adriaans van het museum in Culemborg een nieuwe naam: IGEM, Internet Gelderse Musea. Er wordt een convenant gemaakt dat door de vijf musea en het GOC wordt getekend en beklonken met een goed glas wijn aangeleverd door directeur Jacobus Trijsburg tijdens de 7e vergadering op 6 maart 2001 in Zutphen.

Vier keer per jaar een bijeenkomst en een jaarlijkse bijdrage van de partners. Dat waren de afspraken die we destijds maakten. Die bijeenkomsten zijn cruciaal om het contact met elkaar te houden, wensen en ontwikkelingen te delen. We spraken ook af dat we drie jaar de tijd zouden nemen voor het project, daarna gingen we – als het goed beviel – over in het proces. En dat proces loopt nog steeds.

De gedeputeerde wilde eind vorige eeuw dat we zouden aanhaken bij de initiatieven van de grote organisatie waar veel kennis is huis was: Biblioservice Gelderland, nu de Rijnbrink Groep. De wens van de provincie was toen: één website waarop alles te vinden is, ook informatie over de collecties. Met Biblioservice was ik al een tijdje in gesprek en uiteindelijk gaan drie partners – Gelders Oudheidkundig Contact, Rijksarchief Gelderland en de Gelderse Bibliotheek samen aan de slag met Biblioservice. Ik was al bezig met content in de vorm van verhalen voor RijnWaalWeb, feitelijk de voorloper van wat nu mijnGelderland is. Binnen RijnWaalWeb maken DiVA, Digital Valley uit Wageningen en Biblioservice  een offerte: we kunnen gebruik maken van een aparte server in Rotterdam voor het luttele bedrag van 13.500 gulden per jaar. Voor ons geldt een korting van 50% én het eerste jaar draagt Biblioservice de kosten. Voor een databaseleverancier moeten we zelf zorgen. Een oplossing die technisch, organisatorisch en financieel niet echt handig is. We vragen alvast domeinnamen aan: IGEM.nl en IGEM.museum, want .museum, dat zou de norm worden. Uiteindelijk gaan we in 2001 van start met een eenvoudige website en een gezamenlijke database van Adlib Information Systems waarin de eerste vijf partners hun data kunnen plaatsen. Die data worden vervolgens gesynchroniseerd naar RijnWaalWeb. De formule is: starten met een paar topstukken, én  objecten uit vaste opstelling of depot.  Zorgvuldig geregistreerd met de zojuist gereedgekomen lijsten van de Nederlandse AAT (Art and Architecture Thesaurus) in de hand. Vanuit Adlib Information Systems gedetacheerd gaat Chanou Stolk met dat werk aan de slag. Records worden opgestuurd, record voor record gecorrigeerd. We beginnen met de eerste lijst: wapens en munitie. Daarna volgen beeldhouwwerken, schilderijen. In de praktijk betekent het dat  Angelique Bruil als stagiaire correctiewerk doet en bij de musea zelf zijn de medewerkers aan zet. Ik geef als voorbeeld het Liemers Museum. Ariël Wienk en Ingrid Mens stoppen er veel energie in. Een testdocument met 75 records wordt naar Jan van de Voort en Annette Gaalman van het AAT-bureau bij het RKD gestuurd. Zij geven advies met opmerkingen als: ‘deze term staat nog niet in de AAT, wordt toegevoegd, laten staan’. In 2002 staan al 110 records van het Liemers Museum op internet. Nadien voegen deskundigen inhoudelijke informatie toe, door de gegevens op internet te checken.

Hans Timmerman van de Gelderland Bibliotheek en zijn broer, beiden met uitgebreide kennis over de Tweede Wereldoorlog, sturen een waarschuwing. Dankzij hun deskundige blik op de internetfoto’s kan ik een museum waarschuwen: ze hebben een mortiergranaat in hun collectie die op scherp staat. De toenmalige Explosieven Opruimingsdienst is er op af gestuurd. Een aansprekend voorbeeld van wat je allemaal kunt bereiken – en voorkomen – dankzij presentie op internet.

Tijdens de Contactdag van zaterdag 17 november 2001 in Nijmegen wordt IGEM officieel in werking gesteld. Gedeputeerde J.J.W. Esmeijer drukt op de knop. De eerste website van verzamelde data uit een Nederlandse provincie is een feit. De website maakt gebruik van door de instellingen in eigen beheer geautomatiseerde gegevens van hun collecties. De bezoeker van de website krijgt een idee wat er in het museum te zien is én wat zich in het depot bevindt. Bij de gekozen methode is continuïteit ingebed. Immers, erfgoedinstellingen werken constant aan hun database om de beschikbare informatie zo goed mogelijk te ordenen en nieuwe gegevens toe te voegen. Een gedeelte van die actuele informatie, voor zover interessant en bedoeld voor het publiek, tappen we af naar een centrale vergaarplaats op internet. We zorgen voor regelmatige updates zodat actualiteit is verzekerd en dubbel werk wordt voorkomen. Omgerekend hebben de vijf musea in 2001 elk circa EUR 11344,51 uitgegeven aan directe en indirecte kosten (HFL 25.000, de Euro werd een jaar later, in 2002 ingevoerd). Nog een gegeven uit dat jaar, 2001: ongeveer een derde van de musea in Gelderland (46 van de 128) heeft een eigen website.  Een jaar daarvoor, in 2000, worden de eerste musea in Gelderland toegelaten tot het Museumregister Nederland.  Voor de aan CollectieGelderland deelnemende erfgoedinstellingen verandert er nogal wat: de fotografische beschrijving van het object is achterhaald door het combineren van metadata met een digitale afbeelding. En niet langer is een administratieve notatie van gegevens van belang, het gaat er nu om een goede beschrijving te leveren aan het bezoekende virtuele publiek.

In 2002 volgt een nieuw ICT-project, nu een regeling waarbij standaard software, hardware, randapparatuur, een onderhoudscontract en cursussen aangeboden kunnen worden. In totaal 38 musea maken van de regeling gebruik. Dankzij de financiering van de provincie stappen deze musea nu op een aantrekkelijke manier over op standaardprogramma’s Adlib Museum of The Museum System. Conversie- en digitaliseringstrajecten worden uitgevoerd, cursussen in Arnhem verzorgd. Binnen dit project wordt 1000ste klant van Adlib begroet, het Nederlands Openluchtmuseum.  In dit jaar, 2002, zitten in totaal 1421 records in IGEM.

In 2003 komt dankzij een subsidie van de provincie voor Geschiedenisgelderland.nl,  de Gelderse Erfgoedsite, ook geld vrij voor IGEM. In 2003 wordt  Marieke de Jongh aangesteld als projectmedewerker.  In dat jaar nemen 10 musea deel aan IGEM, met in totaal ruim 4000 records. Op 6 september wordt de nieuwe site GeschiedenisGelderland gelanceerd op TV Gelderland.  In die site is de rubriek ‘Museumstuk van de maand’ ingericht, waar deelnemers aan IGEM een verhaal kunnen aanbieden, met een link naar IGEM. Vanaf het begin is er contact met landelijke organisaties zoals DEN. De IGEM-data worden doorgelust naar de toenmalige Cultuurwijzer. En we houden de ontwikkelingen bij de ‘buren’, de andere provincies, goed bij. Dat doe ik ook via gastcolleges en advisering over subsidies in een andere provincie.  In 2004, op 1 april, komt de nieuwe IGEM-website, de zeegroene, in de lucht, met als extra de pagina ‘het depot in’, waarin het werk achter de schermen van een museum voor de bezoeker wordt uitgelegd. Dat jaar tellen we 13 partners en Marieke neemt eind december 2013 afscheid. Op 7 maart 2005 komt Bibi Bodegom in dienst. Op dat moment is er nog terughoudendheid bij erfgoedinstellingen: ‘als ik mijn data op internet zet, komt er minder bezoek’ en ‘als ik mijn afbeeldingen op internet zet wordt het gejat’. De ervaring en onderzoek leert dat het bezoek juist toeneemt en op het onrechtmatig gebruik van andermans plaatjes hebben we een technische oplossing. De druk vanuit de eigen organisatie om sneller groter te worden neemt toe. Met vragen als ‘Moeten we er niet eens mee stoppen?’ en ‘Is dit wel iets wat bij Gelders Erfgoed thuishoort?’ Uit de vele vragen die via het e-mailadres bij Gelders Erfgoed binnenkomen blijkt het enthousiasme van de gebruiker. En de erfgoedinstellingen gaan verder met hun noeste arbeid. We werken met elkaar aan kwalitatieve kwantiteit. In 2005 hebben we een nieuwe URL: www.collectiegelderland.nl . In 2006 zitten inmiddels meer dan 20.000 objecten in de database en nemen 18 musea deel. Dat betekent taart-momenten, veel werk én plezier. Collega Lucas Veeger  levert Museumtools, waarmee we  ook kwalitatief naar collecties kunnen kijken. Registratiegraad, automatiseringsgraad en digitaliseringsgraad, deelcollecties benoemen via het project MUSIP – Museum Inventarisatie Project, registratieplannen en informatieplannen: ze maken voor directies en besturen – en voor ons – duidelijk waar de achterstanden zitten en waar de kansen liggen. Bibi gaat als volleerd targetjager achter de data aan, mij rest wat diplomatiek handwerk en overtuigingskracht. Voortdurend kunnen we nieuwe leden laten aanhaken, er worden meer en meer data toegevoegd. De trits advisering, cursussen geven en wijzen op het samenwerkingsmodel CollectieGelderland werpt zijn vruchten af. In 2009 lanceren we een nieuwe website van CollectieGelderland en later volgt een bekroning in de vorm van de Geschiedenis Online Prijs voor de site.

Wat wel en wat niet te verzamelen komt tijdens de cursussen en bij de andere activiteiten voortdurend aan bod. Verzamelbeleid,  collectieplan, een goede schenkingsovereenkomst zijn vaste ingrediënten.  Vaak geef ik de suggestie om uit te gaan van een ‘verlanglijstje’: wat ontbreekt er nog in de collectie en daar actief naar op zoek te gaan. Beter dan te wachten op alle goedbedoelde spullen die men komt aanbieden aan het museum. Jarenlang is een van mijn taken om een bestemming te zoeken voor goede objecten die particulieren willen schenken aan een erfgoedinstelling.  Een andere activiteit is het verzamelen van gegevens over bezoekcijfers en dergelijke. Het begon ooit met een vergelijkend onderzoekje naar entreeprijzen en openingstijden van musea in de Achterhoek. Of, weer wat anders, een overzicht van betaalde en onbetaalde uren beschikbaar voor informatiebeheer bij Geregistreerde musea. Via contacten bij het CBS ging het om gegevens uit Gelderland die zij niet hadden verzameld, vanaf 1992 tot en met 2017 om bezoekcijfers en andere relevante openbare gegevens van erfgoedinstellingen. De groei van het aantal musea en de variatie in collecties of juist de enorme overlap in collecties is en was een vast aandachtspunt. In 1987 werd door Intomart Qualitatief een onderzoek verricht naar de groei van cultuurhistorische collecties. Tussen 1965 en 1974 kwamen er landelijk 121 musea bij, tussen 1975 en 1983 openden 143 musea hun deuren, met name op het terrein van geschiedenis en bedrijf en techniek. In Gelderland noteer ik over 1993 een totaal van ruim 515.000 geregistreerde objecten bij Gelderse musea, in 1995 waren dat er ruim 682.000.

In 2009 gaat de functie consulent informatiebeheer heten, later wordt het adviseur informatiebeheer. Rond 2011 gaat de focus liggen op verhalen. Beleving is het toverwoord. Beleef mijn Gelderland is een project met veel kanten, van digitalisering tot 3-D visualisaties. MijnGelderland groeit uit en de wisselwerking tussen verhalen uit die site en de gegevens van de daaraan te koppelen objecten speelt een grotere rol. In 2014 volgt een vernieuwingsslag van CollectieGelderland, met een SQL database, een betere inrichting bij de achterliggende database van Adlib en in de nieuwe website een determinatiemodule voor Nederlandse tegels en de tinnen producten van de Tielse fabriek Daalderop die de vele vragen waarmee de conservatoren worden bestookt deels kunnen afvangen. Er verschijnt een nieuw boekje met verhalen over objecten. De belangstelling voor CollectieGelderland blijft groeien, meer virtueel bezoek en verzoeken om materiaal van de site te mogen gebruiken, voor televisieprogramma’s en publicaties. De data worden doorgezet naar CollectieNederland en vandaar naar Europeana. De eerste virtuele musea zien het levenslicht. Het project Digitaal Tafelen voor musea in de gemeente Ede dient zich aan, gevolgd door het project Innovatie Musea Ede. De stevige basis onder die projecten zijn de verhalensite van Ede en de objectinformatie opgehaald uit CollectieGelderland. In 2014 besluit Bibi Bodegom om haar eigen bedrijf te starten. Voor Erfgoed Gelderland blijft ze allerlei opdrachten uitvoeren. Al in 2015 maken we plannen voor het doorontwikkelen van CollectieGelderland. We oriënteren ons op de mogelijkheden en kansen. In 2017 gaan Michelle van Lanschot en Wouter Daemen ook voor CollectieGelderland aan de slag. Samen met Henriette Kosse,  Darinka Thijs en Tim Stapel is er nu een mooi team. In dat jaar ontvouwt de Provincie Gelderland de plannen voor digitalisering bij erfgoedinstellingen. We hebben inmiddels panklare plannen en CollectieGelderland gaat een nieuwe fase in. In 2019 worden een nieuwe technische infrastructuur en website gelanceerd. Voortaan kunnen leden van de coöperatie Erfgoed Gelderland die lid zijn van CollectieGelderland op elke locatie inloggen, data invoeren en direct zichtbaar maken op de website. Na de conversies van kaartenbak naar Q&A, naar IMC-Modules, naar Adlib volgt een nieuwe stap: naar Memorix Maior. Een nieuw moment voor de partners om kritisch naar de data te kijken, met kansen voor een verbeteringsslag. De website werkt met kunstmatige intelligentie. Via beeldherkenning worden trefwoorden automatisch toegekend. De fotografische beschrijving van toen is nu het genereren van trefwoorden dankzij de kennis die we de computer hebben bijgebracht. Erfgoed Gelderland heeft dankzij het nieuwe platform meer mogelijkheden om te sturen en om inzicht te geven in de schatten die deze provincie rijk is. Als je weet wat je hebt kun je verzamelbeleid aanscherpen en onderling gegevens en collectieonderdelen uitwisselen.

De laatste alinea van de benoemingsbrief uit 1985 luidt: “Gaarne spreken wij de hoop uit dat Uw benoeming zal leiden tot een langdurige, zowel voor U persoonlijk als voor onze stichting, vruchtbare relatie”. Me dunkt, tijd om ‘s op te stappen.