Blog: Boeren, bijlen, bossen. Door: Nico Willemse

Auteurs en redacteuren, die nu werken aan de publicatie Verhaal van Gelderland, nemen u graag mee in hun belevenissen met hun blogs. Hieronder de blog van Nico Willemse.

Blog: Boeren, bijlen, bossen. Door: Nico Willemse

De prehistorie strekt zich uit ver vóór de tijd waarin de mensen opschreven wat er zoal gebeurde. De eerste die over de Lage Landen schreef was Julius Caesar (100-44 BCE). In zijn verslagen over de gallische veroveringsoorlogen (Commentarii de bello Gallico) noemde hij de volkeren die in Gelderland woonden voor het eerst. Zo beschrijft hij de veldtocht tegen de Eburonen en rapporteert hij over het hardhandig verjagen van twee Germaanse stammen in de regio rond Heerewaarden en Kessel. Toch weten we door vuursteenvondsten uit gestuwde rivierafzettingen in Midden-Nederland dat er minstens 200.000 jaar vóór de Romeinen ook al mensen in Gelderland rondliepen.[1]

Samen met Peter van den Broeke en Roy van Beek schrijf ik over deze ongeschreven ‘deep history’ van Gelderland. En dat is best een uitdaging. Hoe vertel je een verhaal over een periode waarin de tijd eindeloos lijkt en waar de tijddiepte minstens honderd maal groter is dan die van alle andere hoofdstukken bij elkaar? Een truc die archeologen dan uit de hoge hoed kunnen toveren is die van reflectie. We kunnen ons bijvoorbeeld bezinnen over het feit  dat de impact van onze moderne tijd op de planeet al een lange voorgeschiedenis kent.[2] En dat de invloed die onze voorgangers hadden op hun leefomgeving nog steeds alomtegenwoordig is. Hoe hebben de mensen uit dit verre verleden ónze wereld vormgegeven?

Boeren
Voor zover we het weten leefden de mensen in Gelderland meer dan tienduizend generaties lang van de jacht op grote en kleine dieren en van het verzamelen van bessen, noten, knollen en wortels. Maar rond 14.000 jaar geleden gebeurde er ver van ons vandaan iets bijzonders. In het noorden van Syrië en Irak ging de bevolking over van het verzamelen van de rijpe zaden van wilde graansoorten naar het opslaan en bewaren van dit voedsel. Om dit in grote hoeveelheden te kunnen doen gebruikten zij een sikkelmes; een bot ingelegd met kleine vuursteentjes die het afsnijden van de halmen vergemakkelijkt. Dat nieuwe hamsteren bracht een revolutie teweeg. Niet alleen was er jaarrond voldoende voedsel in de nederzetting aanwezig; ook het rondtrekkende bestaan kon worden opgegeven. In de eeuwen daarna kwam het gebruik in zwang om delen van het geoogste wilde graan apart te zetten. De mensen hadden namelijk ontdekt dat ze de graankorrels als zaaigoed konden gebruiken. Hierdoor kregen ze de mogelijkheid om ook terreintjes in de directe nabijheid van de nederzettingen voor de voedselvoorziening ‘in te richten’. Om de grazers van deze akkertjes weg te houden werden hoeders ingezet. Gaandeweg bleek dat weinig schuwe diersoorten zoals wilde schapen en geiten met opzet rondom de kleine nederzettingen konden worden houden.[3] Daarna werden in het zuidoosten van het huidige Turkije ook het zwijn en het rund gedomesticeerd en zo ontstonden al tienduizend jaar geleden de vier belangrijkste westerse landbouwhuisdieren. Deze nieuwe leefwijze gebaseerd op akkerbouw en het hoeden van vee ontstond tussen 11.000 en 9.000 jaar geleden en zou zich daarna in verschillende stappen naar het westen verbreiden.

Rond 7300 jaar geleden bereikte de eerste boeren Zuid-Limburg. Het waren migranten uit het oosten van Europa die hun cultuur, vee en gewassen én hun aardewerk mee brachten. Uit bepaalde typen stenen bijlen die de jagers wisten te verwerven van de boeren weten we dat er al snel onderlinge contacten waren. Toch duurde het nog tientallen generaties voordat de inheemse jagersgroepen hun traditionele bestaanswijze hadden ingewisseld voor deze andere leefstijl.[4] Kennelijk waren akkerbouw en landbouwhuisdieren voor de jagers onaantrekkelijk of moeilijk inpasbaar? Pas vanaf 6800 jaar geleden ging de bevolking in Gelderland stapje bij beetje over tot het boerenbestaan. Eerst door het houden van vee en later door het verbouwen van gewassen zoals emmertarwe en naakte gerst.[5] Pas 5500 jaar geleden was er in Gelderland sprake van een volledig agrarische samenleving.

Bijlen
Toen ze eenmaal boer waren geworden nam de materiële behoefte enorm toe. In de gesloten bossen van Gelderland moesten regelmatig nieuwe stukken bos opengekapt en afgebrand worden voor zaaigrond, er was bouwhout voor de huizen nodig en ook voor brandhout moest bos wijken. Goed gereedschap was daarbij onmisbaar en het glad schuren van de welving en snede van de stenen bijl was een enorme technologische stap voorwaarts. Die geslepen stenen bijlen zien er vanuit ons perspectief gezien behoorlijk primitief uit. Toch is door experimenteren gebleken dat ze behoorlijk effectief waren. Een den van 25 centimeter dikte kon in 20 minuten tijd omgehakt worden en het kappen van een 30 centimeter dikke els bleek een uurtje te duren.[6]

Hoe ontzettend belangrijk de geslepen stenen bijlen waren voor de boeren blijkt uit het feit dat een heleboel teruggevonden bijlen niet of nauwelijks zijn gebruikt. Sommige exemplaren zijn ook helemaal niet bedoeld om te gebruiken. Daarvoor zijn ze overduidelijk veel te groot en veel te zwaar. Deze bijlen werden eerder als statussymbool ingezet of hadden een rituele betekenis. Sommige bijlen zijn namelijk opzettelijk, als offer,  in het landschap achtergelaten.[7] De boerenfamilies leefden in Gelderland vele eeuwen lang in een sterk bebost landschap en het is geen gekke veronderstelling dat ze hun identiteit ontleenden aan hun geslepen bijlen en het vellen van bomen.

Bossen
De ontbossing van het landschap vond de eerste eeuwen vooral lokaal plaats. Door de gestage groei van de boerenbevolking  en door de voortschrijdende technologische vooruitgang raakte het landschap tussen 4000 en 2000 jaar geleden steeds meer ontdaan van het oorspronkelijke oerbos. Zeker is dat de dichtstbevolkte gebieden in Gelderland al lang voor de komst van de Romeinen een groot deel van het bos hadden verloren.[8] Dit blijk uit de samenstelling van het stuifmeel dat in bodemlagen uit die tijd bewaard is gebleven. Hierin is te zien hoe boomsoorten als eik, linde en den langzaam uit het landschap verdwijnen en dat hun plek wordt ingenomen door akkeronkruiden, grasland en heide. Ook grote delen van het stroomgebied van de Rijn in Duitsland en de Maas in Noordoost-Frankrijk en België raken al ver voor het begin van de jaartelling ontbost. Het kappen van bomen op de hellingen en het vervolgens bewerken van de vruchtbare lössbodems leidde hier tot een toename van bodemerosie en het dichtslibben van zijdalen.[9] Daar bleef de vruchtbare grond niet liggen. Al voordat de Romeinen kwamen werd het in steeds grotere hoeveelheden aangevoerd naar het Gelderse rivierengebied waar het als een dik kleidek werd afgezet.[10] Het vlakke rivierkleigebied dat nu in grote delen van het Gelders rivierengebied voorkomt is dus door (prehistorische) mensenhand ontstaan.

Afbeelding: Vuurstenen bijl, Vindplaats: Gelderland, Epe, Vaassen, 3400-2900 v.Chr. CC-BY 3.0 Rijksmuseum van Oudheden

Noten

[1] Niekus, 2005; Van Balen & Busschers, 2010
[2] Redman, 1999
[3] Louwe Kooijmans, 2017, p. 311–320; 2009
[4] Louwe Kooijmans, 2009
[5] Bakels, 2005, p. 77
[6] Van der Poel, 1960, p. 130
[7] Ter Wal, 1996
[8] Zie Casparie and Groenman-van Waateringe, 1980; Doorenbosch, 2013; Groenewoudt et al., 2008; Groenman-van Waateringe, 1986
[9] Bork et al., 1998; Dotterweich, 2013; Erkens, 2009, p. 233
[10] Erkens, 2009, p. 233

Bronnen

Bakels, C.C., 2005. Planten in de steentijd, in: Deeben, J., Drenth, E., Van Oorsauw, M.-F., Verhart, L. (Eds.), De Steentijd van Nederland, Archeologie. Stichting Archeologie, Zutphen, pp. 67–79.

Bork, H.R., H. Bork, C. Dalchow, H.P. Piorr, T. Schatz, B. Faust, 1998. Landschafsentwickelung in Mitteleuropa. Wirkungen des Menschen auf Landschaften. Gotha, Stuttgart.

Casparie, W.A., Groenman-van Waateringe, W., 1980. Palynological analysis of Dutch barrows. Palaeohistoria 22, 7–65.

Doorenbosch, M., 2013. Ancestral heaths : reconstructing the barrow landscape in the Central and Southern Netherlands. Sidestone Press, Leiden.

Dotterweich, M., 2013. The history of human-induced soil erosion: Geomorphic legacies, early descriptions and research, and the development of soil conservation—A global synopsis. Geomorphology 201, 1–34.

Erkens, G., 2009. Sediment dynamics in the Rhine catchment. Quantification of fluvial response to climate change and human impact, PhD-thesis Utrecht University. ed, Netherlands Geographical Studies. Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap, Utrecht.

Groenewoudt, B., H. van Haaster, R. van Beek &, O. Brinkkemper, 2008. Towards a reverse image. Botanical research into landscape history of the eastern Netherlands (1100 BC-AD 1500). Landsc. Hist. 29, 17–33.

Groenman-van Waateringe, W., 1986. Grazing possibilities in the Neolithic of the Netherlands based on palynological data, in: Behre, K.-E. (Ed.), Anthropogenic Indicators in Pollen Diagrams. A.A. Balkema Publishers, Rotterdam, pp. 187–202.

Louwe Kooijmans, L.P., 2017. Onze vroegste voorouders. De geschiedenis van Nederland in de steentijd, 1st ed. Uitgeverij Bert Bakker/Promotheus, Amsterdam.

Louwe Kooijmans, L.P., 2009. Van jager tot boer in Nederland. ARGOS 41, 8–14.

Niekus, M.J.L.T., 2005. Het Midden-Paleolithicum in Noord-Nederland, in: Deeben, J.H.C., Drenth, E., Van Oorsauw, M.-F., Verhart, L. (Eds.), De Steentijd van Nederland, Archeologie. pp. 91–118.

Redman, C.L., 1999. Human impact on ancient environments. University of Arizona Press, Tuscon, Arizona (USA).

Ter Wal, A., 1996. Een onderzoek naar de depositie van vuurstenen bijlen. Palaeohistoria 37/38, 127–158.

Van Balen, R.T., Busschers, F.S., 2010. Human presence in the central Netherlands during early MIS 6 (~170-190 Ka): evidence from early Middle Palaeolithic artefacts in ice-pushed Rhine-Meuse sediments. Neth. J. Geosci. – Geol. En Mijnb. 89, 77–83.

Van der Poel, J.M.G., 1960. De landbouw in het verste verleden, in: Berichten van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek. Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek, Amersfoort, pp. 125–194.