Blog: Op zoek naar Jantje van Speuld. Door: Roy van Beek

Auteurs en redacteuren, die nu werken aan de publicatie Verhaal van Gelderland, nemen u graag mee in hun belevenissen met hun blogs. Hieronder de blog van Roy van Beek.

Blog: Op zoek naar Jantje van Speuld. Door: Roy van Beek

In het charmante streekmuseum het Pakhuis in Ermelo staat, een beetje verdekt in een hoekje op de eerste verdieping, een grote rechthoekige kist. In die kist ligt het skelet van Jantje van Speuld. Jantje leefde duizenden jaren geleden op de Veluwe, niet ver van Ermelo. Samen met andere illustere prehistorische personages, zoals de Kopersmid van Lunteren uit omstreeks 2500 voor Christus en de Man van Lent uit circa 500 voor Christus, helpt ze met het vertellen van het Verhaal van Gelderland. Samen met Peter van den Broeke en Nico Willemse beschrijf ik de prehistorische geschiedenis van onze provincie. Soms is daar nog aanvullend onderzoek voor nodig. Want hoewel ik wel eens van Jantje van Speuld had gehoord, wist ik niet precies wie ze was en hoe ze daar in het Pakhuis terecht gekomen was. Ik ging op onderzoek uit en kwam tot de volgende reconstructie.

Kort na de Tweede Wereldoorlog waren veel heideterreinen op de noordwestelijke Veluwe in gebruik als militaire oefenterreinen. Er werden plannen gemaakt om op verschillende plekken grote nieuwe kazernes te bouwen. De heidevelden in de omgeving van Ermelo zijn rijk aan cultuurhistorische resten uit het verre verleden. Denk alleen al aan het unieke Romeinse marskamp op de Ermelose Heide, aan de uitgestrekte akkercomplexen uit de ijzertijd (Celtic Fields) die soms nog steeds zichtbaar zijn, en aan de talloze karrensporen die getuigen van de Middeleeuwse routes die de heidevelden doorkruisten. De bouw van kazernes zou veel schade kunnen aanrichten. Daarom werden in 1951 in allerijl veldverkenningen uitgevoerd door de Gelderse Archaeologische Stichting. Er bleken meer dan honderd prehistorische grafheuvels op de betreffende terreinen te liggen. Daarvan werden er in 1952 in een hoog tempo maar liefst 44 opgegraven, door de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) onder leiding van Pieter Jan Remees Modderman (1919-2005). Als jonge student kwam ik professor Modderman – toen al behoorlijk op leeftijd – af en toe eens tegen in Leiden, waar hij later in zijn carrière aan de universiteit gewerkt had. Maar helaas heb ik hem nooit gevraagd naar de groep van vijf grafheuvels die hij bij Speuld onderzocht heeft, en waar Jantje gevonden werd.

De grafheuvelopgravingen bij Ermelo en Speuld gebeurden volledig met de hand. Aan mankracht was er geen gebrek: Modderman had de beschikking over gemiddeld zo’n 15 arbeiders, die hem in het kader van de werkverschaffing ter beschikking waren gesteld door de Heidemaatschappij. Dit soort verplichte werkverschaffingsprojecten waren in de jaren ’20 en ’30 al omstreden – ze werden door sommigen als een vorm van uitbuiting gezien – maar na de Tweede Wereldoorlog werden ze desondanks weer ingesteld vanwege de hoge werkloosheid. Verder is opvallend dat Modderman kortstondig ondersteuning kreeg van enkele studenten die later zelf ook belangrijke sporen zouden nalaten in de archeologie, waaronder Jay Butler, Isobel Smith en Jan-Albert Bakker. De eerste twee studeerden archeologie in Londen bij de befaamde professor Vere Gordon Childe, en waren op uitnodiging van de ROB in Nederland om kennis te maken met de Nederlandse archeologie.

Het graf van Jantje
Het groepje grafheuvels bij Speuld, gesitueerd aan de rand van het Speulder Veld, ligt op de flank van de Veluwse stuwwal. Dit is typisch voor veel grafheuvels: ze liggen vaak in groepjes op wat hogere, goed zichtbare plekken in het landschap. Dit soort locaties kunnen soms duizenden jaren lang als begraafplaats gebruikt zijn. Al snel bleek dat de grafheuvels deels al eerder doorgespit waren door mensen die op zoek waren naar urnen of andere oudheden. Toch bleken ze nog waardevolle informatie te bevatten. De heuvels dateren uit de Vroege- en Midden-Bronstijd (2000-1200 voor Christus), en zijn herhaaldelijk gebruikt. Dit is herkenbaar aan diverse ophogingslagen, die ieder een hergebruikfase weerspiegelen. Heuvel 1, zie afbeelding onderaan het blog, bleek het meest interessante monument te zijn. In het centrale deel van de heuvel werden resten van een crematiegraf gevonden. In latere fases werden de lichamen van minstens tien andere personen in de randen van de heuvel begraven, waaronder twee kinderen. Graf h bleek uitzonderlijk goed bewaard. De ‘schaduw’ van het begraven lichaam, in de archeologie ook wel ‘lijksilhouet’ genoemd, bleek nog goed zichtbaar. Dit is het graf van Jantje. Aan de hand van het bekken is vastgesteld dat het waarschijnlijk om een vrouw gaat. Ze werd waarschijnlijk omstreeks 1500 voor Christus in de grafheuvel begraven, als één van de laatste graven in de grafheuvelgroep. De grafkuil was bekleed met plaggen, mogelijk afkomstig van een nabijgelegen heideveld. Grafgiften kreeg ze niet mee.

Wie was Jantje? Dat is niet eenvoudig te zeggen. Waarschijnlijk had ze wel een bovengemiddelde status in de toenmalige samenleving. Slechts een klein deel van de bevolking (vermoedelijk zo’n 10-15 %) werd destijds begraven in een grafheuvel. Het lijkt aannemelijk dat ze afkomstig was uit één van de kleine boerengehuchtjes die in de directe omgeving van de stuwwal zullen hebben gelegen, met name op de wat zandigere delen waar goed geakkerd kon worden. Grotere dorpen bestonden in de Bronstijd nog niet. Men verbouwde granen, weidde runderen en schapen in de beekdalen en op de heide, en zal het dieet hebben aangevuld met jacht en visvangst. Overigens komen er steeds meer archeologische aanwijzingen dat Bronstijd-samenlevingen in de Lage Landen een grotere mobiliteit kenden dan vroeger werd aangenomen. We kunnen dus niet uitsluiten dat Jantje meer van de wereld gezien had. Nieuwe biochemische onderzoekstechnieken van het botmateriaal (bijvoorbeeld isotopen-onderzoek) zouden daar wellicht inzicht in kunnen verschaffen.

Besloten werd van het graf van Jantje een zogenaamd ‘lakprofiel’ te maken. Dit proces is vastgelegd op een mooi oude opgravingsfoto die is tentoongesteld in het Pakhuis. Bij deze techniek werd een mengsel van profiellak en verdunner over de bodem uitgegoten, en na een paar uur bedekt met verbandgaas of jute. Na ongeveer een dag was de bodem gehecht aan het canvas en kon het profiel voorzichtig losgemaakt worden, en bijvoorbeeld bevestigd worden op spaanplaat. Bij dit proces bleken er in de bodem nog meer skeletresten bewaard gebleven te zijn dan werd verwacht, waaronder delen van haar schedel. Omdat een lakprofiel wordt omgekeerd, kwam Jantje met haar gezicht naar beneden te liggen. Na de lichting heeft ze nog enkele omzwervingen gemaakt. Zo werd ze tentoongesteld in museum Het Valkhof in Nijmegen en het Historisch Museum in Arnhem. Na de opening van het Pakhuis in 2010 werd Jantje met een officiële plechtigheid weer teruggebracht naar Ermelo, waar ze inmiddels al weer bijna tien jaar ligt.

Afbeelding boven:  Het graf van Jantje van Speuld, tentoongesteld in Het Pakhuis te Ermelo