Blog: Aan de boorden van de Waal door: Jonn van Zuthem

Auteurs en redacteuren, die nu werken aan de publicatie Verhaal van Gelderland, nemen u graag mee in hun belevenissen met hun blogs. Hieronder de blog van Jonn van Zuthem.

Blog: Aan de boorden van de Waal. Door: Jonn van Zuthem

Uit tal van onderzoeken blijkt dat historische binnensteden door consumenten en toeristen aantrekkelijk worden gevonden. Zeker die waarin het ook nog wemelt van de studenten en waar er (mede dankzij hen) sprake is van een rijk cultureel aanbod. Plaatsen als Amsterdam, Leiden, Delft, Utrecht en Groningen staan dan ook bovenaan in de lijstjes van aantrekkelijke binnensteden.

Ook Nijmegen doet het op dat punt niet slecht, maar mist een tweetal belangrijke voorwaarden voor een absolute toppositie. Zo is het historische hart door het ‘vergissingsbombardement’ van 22 februari 1944 grotendeels weggevaagd. Bovendien heeft de stad geen grachtengordel of weinig andere duidelijk herkenbare scheidslijnen tussen het oude centrum en de ‘nieuwbouw’. Het Kronenburgerpark en het Valkhof zijn daarop uitzonderingen.

Momenteel zit ik midden in het onderzoek naar het leven, wonen en werken in de vestingstad Nijmegen. Er gaat werkelijk een wereld voor mij open. Nijmegen barstte in de decennia rond het midden van de negentiende eeuw uit haar voegen. Het leven in de historische binnenstad was toentertijd geen pretje. Zeker niet voor de lagere sociale klassen die in de benauwde stegen en achterbuurten woonden, maar ook niet voor de beter gesitueerden van de stad. Het stonk namelijk voortdurend binnen de vesting. Er was dan ook geen riolering en schoon leidingwater en het huisvuil werd sporadisch opgehaald. Tegenwoordig niet meer voor te stellen, maar de stad kreeg pas in 1889 een zelfstandige gemeentelijke reinigingsdienst.

Collega Toon Bosch wees mij onlangs op de dagboekaantekeningen van vader en zoon Van Druijnen.[i] Al mogelijke ontwikkelingen en gebeurtenissen in de Nijmeegse vestingstad in de periode 1819-1859 werden door deze Nijmeegse wijnhandelaren nauwgezet genoteerd. Zo is de spanning merkbaar als op 17 november 1830 Nijmegen ‘in staat van oorlog’ wordt gesteld. In de maanden erna worden vanuit Noord-Nederland honderden manschappen naar de vestingstad gezonden om deze te kunnen verdedigen bij een mogelijke aanval van de opstandige Belgen, door Van Druijnen senior overigens steevast aangeduid als ‘Brabanders’. Deze soldaten moesten allemaal in de toch al volle stad gehuisvest en gevoed worden. Acht jaar lang mocht er door de oorlogsdreiging geen kermis – voor velen het hoogtepunt van het jaar – worden gevierd. Verder kunnen we lezen dat de Benedenstad regelmatig door overstroming van de Waal onder water stond. Dat de stad een aantal keren werd getroffen door de cholera en andere besmettelijke ziekten als tyfus en pokken. En ook dat de winters nog koud waren. Begin 1850 was de Waal bevroren – het was bijna 18 graden onder nul – en kon men over het ijs naar Lent.

Vestingwet
De Nijmegenaren zaten gevangen binnen de muren van de stad en dat betekende dat de economie niet verder kon groeien. Tot driemaal toe – in 1852, 1856 en 1872 – stuurde een door prominente Nijmegenaren ingestelde ‘vestingcommissie’ een verzoekschrift naar Willem III om de vestingwerken te mogen afbreken. Telkens wees de koning deze af. De blijdschap was dan ook groot toen in de Vestingwet van 1874 werd bepaald dat de vestingwerken van Nijmegen werden opgeheven en dus konden worden ontmanteld. De bestuurders van de stad Nijmegen waren zo slim de grond waarop de vestingwerken lagen van het Rijk te kopen en deze vervolgens in stukken – bouwkavels – met winst zelf weer door te verkopen.

Nijmegen kreeg er bijna 80 hectare aan bouwterrein, wegen en plantsoenen bij. Door de uitleg vertrokken de rijkeren uit de Benedenstad, de oudste stadskern. Mede door de aansluiting op het nationale spoorwegnet in 1879 was de blik niet langer op de Waal, maar richting het zuiden en op de nieuwe (villa)wijken gericht. De Benedenstad verpauperde, alleen mensen die de laagste huren konden opbrengen bleven er of kwamen er juist wonen. Het sociale, economische en culturele ‘centrum’ van Nijmegen verschoof: aan het Keizer Karelplein verrees onder meer de sociëteit De Vereeniging en, later, het hoofdgebouw van de universiteit. De aula aan de Wilhelminasingel werd in 1931 in gebruik genomen. De naoorlogse explosieve groei van de universiteit – van rond de 800 studenten in 1946 naar meer dan 10.000 in 1970 – leidde tot de bouw van nieuwe faculteitscomplexen in zuidelijke richting, nog verder van het centrum.

Wie foto’s van de Nijmeegse binnenstad uit de decennia na de Tweede Wereldoorlog bekijkt, die ziet met name aan de rivierzijde tal van braakliggende terreinen en verwaarloosde panden.[ii] De Nijmeegse situatie was overigens niet uniek, de meeste Nederlandse steden kenden in die tijd vervallen binnensteden en worstelden met de vraag wat daarmee te doen. Het duurde tot begin jaren zeventig dat de verdere afbraak van de wijk, vooral door inspanningen van het Buurtcomité Benedenstad, een halt toe werd geroepen en besloten werd tot grootschalige herbouw. Vanaf 1978 werden er veel sociale woningbouwwoningen gebouwd en werd het oude stratenpatroon gehandhaafd zodat het karakter van de wijk niet verloren zou gaan. Ook de Waalkade werd getransformeerd tot een recreatiegebied met tal van eet- en drinkgelegenheden.

De laatste jaren is Nijmegen weer naar de Waal gericht. Feitelijk nog meer dan in vroeger tijden, want de stad ligt door de Waalsprong nu aan beide kanten van de rivier. Andermaal profiteert zij van een nieuwe stadsuitbreiding, ook ditmaal één van bijzondere schoonheid. De stad gaat mede door de grootschalige gebiedstransformatie ‘Nijmegen omarmt de Waal’ de komende jaren stijgen in de ranglijsten van aantrekkelijke Nederlandse steden.

Leestip
De architect-ingenieur Lambert (Bert) A. Brouwer (1844-1891) was grotendeels verantwoordelijk voor de indrukwekkende uitleg die de stad Nijmegen na de slechting van de vesting kreeg. Brouwer, die begin mei 1891 plotseling overleed, ontwierp bovendien onder meer tal van villa’s aan het Keizer Karelplein en de Parkweg, maar ook arbeiderswoningen in de Spaarbankstraat (thans Dr. Claas Noorduijnstraat geheten) en de Bethelkerk in Neerbosch. Eigenlijk zou er een Nijmeegse straat naar deze man vernoemd moeten worden. Gelukkig staat er in ‘Intermezzo 2’ in Ineke Pey, Bouwen voor gezeten burgers. Herenhuizen en villa’s in de nieuwe stadswijken van Utrecht, Groningen en Nijmegen (1874-1901) (Zwolle 2004) een mooi biografisch portret van deze bijzondere Nijmegenaar. Het hele boek is overigens het bestuderen meer dan waard.

[i] Leven aan de Waal of Vervolg der Kronijk van Nijmegen 1819-1859, opgetekend door Jan Willem en Gerrit van Druijnen, bezorgd en ingeleid door A. Bosch, A.E.M. Janssen en A.T.S. Wolters- van der Werff (Nijmegen 2011).

[ii] Rondgezicht vanaf de Stevenstoren, 24 kleurendia’s van J.W.F. Bunge uit 1957 met een essay van C. Peeters (Nijmegen 1989).

Afbeelding: repro P. van Galen, RDMZ 1980, Collectie Het Archief, Nijmegen uit Bouwen voor gezeten burgers van Ineke Pey, pagina 85.

Jonn van Zuthem is historicus. De laatste jaren is hij vooral actief op het terrein van de regionale geschiedenis. Voor het boekproject van het Verhaal van Gelderland gaat hij de negentiende eeuw beschrijven. (Zie voor eerdere werk en recente projecten de website www.jonnvanzuthem.nl)